What email should I send the report to?

You can unsubscribe any time.

1. Hoi, ik ___ Koen.

2. Mijn broer ___ al 5 jaar in Nederland.

3. Wie is de broer van je vader?

4. Kies de juiste woordvolgorde: Morgen ik ga naar de supermarkt.

5. ___ ga je op vakantie?

6. Dit is mijn oom. – Ken je ___?

7. Welke vraag past bij dit antwoord? Voor mij een cola, alsjeblieft.

8. Het linkerhuis is ___ dan het rechterhuis.

9. Hoe laat is het? Het is ___ (7:45).

10. Welke zin is correct?

11. Niet of geen? Welke zin is correct?

12. Niet of geen? Welke zin is correct?

13. Het bestek ___ in de keukenla.

14. Hoeveel t-shirts heb je?

15. Is dit je eerste keer Koningsdag?

16. Wat heb je gisteren gedaan?

17. De kinderen ___ de woonkamer na het spelen. (opruimen)

18. Kies de juiste conjunctie: Ik heb drie honden, ___ ik allergisch ben voor honden.

19. Sara vraagt: β€œGaat het morgen regenen?” Wat vraagt Sara?

20. Wat doe je graag in het weekend?